Geschiedenis van het Huys Ter Horst

 

De ruïne van kasteel Huys ter Horst heeft een plaats in de harten van de Horstenaren. De gedachte aan het erfgoed speelt bij een kasteel wel een bijzondere rol. Niet het Huys alleen immers, maar evenzeer de geslachten die er woonden, hebben in belangrijke mate het aanzien bepaald van het gebied tussen Maas en Peel.

Rond de ruïne van het kasteel van Horst heeft altijd een waas van romantiek gehangen. In 1909 schreef A.F. van Beurden in het Limburgs Jaarboek: “De ruïne van kasteel Huys ter Horst is zeer schilderachtig, het geitenblad windt zich in lange slingers om de verwarde muurbrokken. Aan den bemosten voet der toren tieren geurige viooltjes en op de plaats der pronkzalen wiegelen spichtige populieren”.

De ruïne kent een lange historie die teruggaat tot ongeveer 1300.

WIE HEEFT HET HORSTER KASTEEL GESTICHT?

Heeft de graaf van Gelre die in 1326 Florken van der Horst beleende met het Huis ter Horst, het kasteel gesticht? We weten het niet…
Mogelijk was het kasteel bedoeld als grafelijk steunpunt in het Land van Kessel, een gebied dat sedert 1279 bij Gelre hoorde.

OORSPRONG VAN HET KASTEEL
De stichtingsdatum van het kasteel Ter Horst is - zoals van de meeste middeleeuwse kastelen - niet bekend. Opgravingen in de jaren 1969-1976 brachten aan het licht dat het oudste bouwwerk niet meer was dan een ommuurd binnenplein in de vorm van een vijfhoek.



Dit muurwerk heeft een dikte van een meter en dateert uit de tijd omstreeks 1300. Het binnenplein was aangehoogd met zand uit de gracht, die buiten de muur werd gegraven. Binnen de stenen omwalling stonden waarschijnlijk houten gebouwen. Spoedig is in het midden van de noordelijke buitenmuur een grote bakstenen toren gemetseld. In die toren werd een waterput aangelegd, zodat men steeds over vers water kon beschikken.



In de loop van de 14e eeuw verving men de houtbouw door stenen gebouwen die vooral tegen de zuid- en west muur werden opgetrokken.
In de 15e eeuwse rekeningen worden verschillende vertrekken met name genoemd: de grote zaal, de logeerkamer van de hertog, de kapel, de keuken, de 'dienstjofferen-kamer' en de 'Stock': de gevangenis.



Aan de noordzijde van het kasteel lag de voorburcht, die door een gracht van de hoofdburcht was gescheiden. Over de bouwkundige ontwikkeling van dit deel valt hij gebrek aan archeologische gegevens weinig te zeggen. Uit de eerder genoemde rekeningen uit de 15e eeuw blijkt dat zich hier de economie gebouwen bevonden: stallen voor paarden, koeien en varkens, het bakbuis, de turfschuur en het 'waakhuis'.


Hoofd- en voorburcht waren omgeven door een palissadewal en grachten die gevoed werden door de Molenbeek. De beek leverde tevens de energie voor de watermolen van het kasteel.
Ten westen van het kasteelcomplex lag de 'Hof ter Binnen' een boerderij die het eerst wordt vermeld in 1394 en die tot het midden van de 16e eeuw in leen werd gehouden door leden van de familie Van Broekhuizen. Deze hof was een afzonderlijk Gelders leen en had juridisch geen enkele band met het kasteel. Wel liep de toegangsweg tot de voorburcht over het terrein van de 'Hof ter Binnen' en de kasteelbeer kon dus slechts over andermans erf zijn kasteel betreden. Pas in 1565 kwamen kasteel en 'Hof ter Binnen' in één hand.




DE FAMILIE VAN WITTENHORST

Op 31 juli 1523 brak voor Horst een nieuwe periode aan, toen
hertog Karel van Gelre de Kleefse edelman Johan van Wittenhorst tot ambtman benoemde. Op 2 september van hetzelfde jaar kreeg Johan de helft van huis en heerlijkheid Horst in leen. De andere helft van de heerlijkheid kocht Johan van Wittenhorst in 1532 van de erfgenamen van Dirk van der Horst. Op het einde van zijn leven wist hij ook nog de Hof ter Binnen in leen te krijgen. Daarmee was het hele complex van huis, heerlijkheid en Hof ter Binnen in één hand gekomen. Met recht kon Johan de Oude, zoals hij door het nageslacht werd genoemd, zich heer van Horst noemen. Zijn nakomelingen hebben het Horster kasteel als hun stamslot beschouwd.

In 1579 werd het kasteel ter Horst door rondtrekkende soldaten geplunderd en gedeeltelijk verwoest. Vooral de oostzijde, de zwakste kant van het gebouw, werd daarbij ernstig beschadigd. Bij de herbouw trok men daarom op de zuidoost hoek een sterk bastion op ter bescherming van de oostflank. De opgravingen (1969-1976) brachten op de binnenplaats van het kasteel restanten van twee broodovens aan het licht die daar waarschijnlijk zijn gebouwd omstreeks 1580, toen op het huis een garnizoen Spaanse soldaten gelegerd was.
In 1609 werd Johan III evenals zijn vader, grootvader en over- grootvader ambtman van het ambt Kessel. Johan III overleed in 1639 kinderloos. Met hem stierf het geslacht van Wittenhorst op het kasteel ter Horst in rechte lijn uit. Tot erfgenaam had hij zijn neef Johan Huijn van Geleen benoemd.

Toen deze in 1653 kinderloos overleed, volgde zijn broer, Arnold Huijn van Amstenrade, hem op als heer van Horst.

In 1660 verkocht hij huis en heerlijkheid aan het echtpaar Willem Vincent baron van Wittenhorst en Wilhelmina van Bronkhorst. Willem Vincent was een achterkleinzoon van Johan de Oude.
Voor 1660 woonde bij meestal in de stad Utrecht of op kasteel Nijenrode. Van zijn oudere broer Johan erfde bij enkele heerlijkheden, en met de bezittingen van zijn echtgenote erbij was bij een vermogend man. Op het moment van de aankoop van Horst mocht Willem Vincent zich heer van Drongelen, Gansoijen, Besoijen, Stad aan het Haringvliet, Nijenrode, Breukelen en Ter Lucht noemen.

In Utrecht wijdde baron van Wittenhorst zich het liefst aan zijn grote hobby: schilderijen verzamelen. Hij had een collectie van ongeveer 300 stuks. Verscheidene schilders uit Utrecht behoorden tot zijn intieme vriendenkring. Een door Willem Vincent zelf aangelegde catalogus van zijn verzameling is bewaard gebleven. Het is een uniek document, omdat het een helder beeld geeft van de relaties die tussen Hollandse en Utrechtse schilders in de 17e eeuw bestonden.

Wat Willem Vincent beeft bewogen het kasteel van Horst te kopen, weten wij niet. Wellicht wilde hij het kasteel dat de Wittenhorsten als hun stamslot beschouwden, weer in de familie terugbrengen. In deze richting wijst ook het opschrift op zijn loden grafkist:

Heer Wilhelm Vincent baron van Wittenhorst ende Horst etc. die deese heerlijckheit int jaer 1660 heeft aangekocht weder aen die familie.

De nieuwe heer van Horst moet in 1660 een kasteel hebben aangetroffen dat nog grotendeels een middeleeuws uiterlijk had. Het was ongerieflijk en verwaarloosd. De nieuwe eigenaren besloten het slot grondig te moderniseren en te vergroten. De landmeter / architect Christoffel Verhoff uit Breda ontwierp de plannen voor de verbouw. Begin 1660 werden via de Maas duizenden stenen per schip aangevoerd. Toen dit te kostbaar werd sloot de baron een overeenkomst met de steenbakker Nicolaas le Fébure, die op de Gunse hei te Swolgen een oven bouwde voor de levering van 200.000 stenen. De westgevel werd in Hollandse renaissancestijl opnieuw opgetrokken en men bouwde er twee vooruitspringende vleugels tegenaan, waar tussen een terras kwam te liggen. De gevangentoren op het noordoosten werd bijna geheel gerenoveerd.



Willem Vincent liet verder de economie - gebouwen op de voorburcht voor een groot deel opnieuw optrekken. Op 9 juni 1661 werd het laatstgenoemde werk (waarvan de tekeningen bewaard zijn gebleven) aanbesteed, maar op 14 augustus wijzigde de baron het bestek en gaf opdracht het geheel een stagie ofte thien voeten hoger te maken, met andere woorden er een verdieping op te zetten.
De baron en barones wensten dat ook het nageslacht zou zien wie de verbouwers van het kasteel waren. De steenhouwer Pierre Bastien leverde enige grote stenen met het alliantiewapen van zijn opdrachtgevers en de stukadoor Peter Schreurs uit Roermond moest in het stucwerk van de kamer in de ronde toren en in het kabinet het wapen van Mijnheer en Mevrouw aanbrengen.

Wilhelmina van Bronkhorst overleed in 1669 kinderloos. Willem Vincent hertrouwde met Catharina Cecilia van Bocholtz. Uit dit huwelijk werden een zoon en twee dochters geboren, waarvan een meisje zeer jong overleed.

In 1673 liet de koning van Spanje, om aan geld te komen, een publieke verkoop houden, waar de heerlijke rechten over een aantal plaatsen die tot dan toe onder het ambt Kessel hadden gehoord, onder de hamer kwamen. Willem Vincent kocht op deze veiling de heerlijkheid Sevenum voor 8990 pond. Voortaan mocht hij zich heer van Horst en Sevenum noemen. Lang heeft hij van deze titel niet kunnen genieten, want hij stierf al een jaar later op 4 april 1674. Catharina Cecilia van Bocholtz bleef achter met twee jonge kinderen en een grote schuldenlast. Willem Vincents zoon Johan, die nog geen zes maanden oud was, volgde hem op als heer van Horst. Tijdens de minderjarigheid van haar kinderen oefende Catharina Cecilia de voogdij over hen uit. Verder was in het testament van Willem Vincent bepaald dat zij het levenslang vruchtgebruik van het huis en de heerlijkheid Horst zou bezitten.

In 1686 hertrouwde de weduwe Van Wittenhorst met markies Adriaan Arnold van Hoensbroek. Deze overleed reeds in 1694. Aan dit huwelijk hield Catharina Cecilia de titel 'markiezin' over. Er is een groot geschilderd portret van Catharina Cecilia op latere leeftijd bewaard gebleven. Haar houding en gelaatstrekken verraden een dominerende persoonlijkheid; het is een matrone waarmee men niet de kachel kan aanmaken. De omstandigheden waarin de jonge weduwe in 1694 kwam te verkeren, waren weinig benijdenswaardig. Met bekwame hand wist zij de vele moeilijkheden te boven te komen.

Met de Horstenaren leefde de markiezin vaak in onmin. Voortdurend lag zij overhoop over de betaling van schatting, de benoeming van de schoolmeester, het onderhoud van de bruggen, enzovoort.


LAATSTE FASE BOUWGESCHIEDENIS

Catharina Cecilia van Bocholtz liet het kasteel verder voltooien, ondanks de zware schuldenlast en haar privé moeilijkheden. Het gebouw kreeg toen het uiterlijk zoals wij het van tekeningen uit de 18e en 19e eeuw kennen. Aangezien dit ook de laatste ontwikkelingsfase uit de bouwgeschiedenis van het kasteel is, volgt thans een korte beschrijving van het gebouw en zijn omgeving in de eerste helft van de 18e eeuw.


(Klik op de plattegrond voor een vergroting)

Een lange oprijlaan was de toegangsweg tot de Hof ter Binnen, die min of meer als poortgebouw fungeerde. Vervolgens leidde de weg naar de voorburcht, waar de stallen, het koetshuis en de vertrekken van het personeel lagen. Via een brug en een doorgang onder de Grote Toren bereikte men het plein van de burcht. Het hoofdgebouw lag in de vorm van een carré rond het hoofdplein, met dien verstande dat de oostzijde van het plein afgesloten werd door een groot hek. Aan de westzijde van het plein bevond zich een dubbele deur die toegang gaf tot een ruime vestibule met trappenhuis.
Aan weerszijden van de hal bevonden zich beneden en boven een aantal kostbaar ingerichte woonvertrekken van de familie:
- de bisschopskamer (zo genoemd omdat er een portret van een bisschop tegen de schouw hing);
- het salet of de grote zaal, met monumentale schouw en beschilderde plafonds.
Verder bevonden zich in de westvleugel nog het kabinet met een deel van de schilderijenverzameling, slaapkamers, de eetkamer in de noordwestelijke uitbouw, en daaronder de keukens. De meeste woonvertrekken hadden behang van zijde of goudleer.
Aan de voorzijde van de westgevel, tussen de twee uitbouwen, bevond zich een terras. In het midden van de noordvleugel stond de Grote Toren met zijn typische uivormige bekroning.

Helemaal in de noordoost hoek lag als een vooruitspringend bastion de Gevangentoren. Op de bovenste verdieping, tussen de Grote Toren en de Gevangentoren, bevond zich de kapel. Uit de 18e eeuwse boedelbeschrijvingen krijgt men de indruk dat de zuidvleugel onbewoond was. De vertrekken die zich hier bevonden werden als bergruimte gebruikt.


1738: OVERLIJDEN LAATSTE LID FAMILIE VAN WITTENHORST TE HORST

In 1715 deed Catharina Cecilia afstand van haar rechten op de heerlijkheid Horst ten behoeve van haar enige dochter Maria Adriana Alexandrina Theresia van Wittenhorst. Laatstgenoemde was in 1714 gehuwd met Antoon Ulrik graaf van Frezin d'Arberg. Zij leidde tot haar overlijden in 1738 een betrekkelijk teruggetrokken leven op het kasteel. Omdat zij kinderloos was, benoemde zij haar achternicht Maria Alexandrina von Fürstenberg tot haar erfgename.

FAMILIE VON FÜRSTENBERG IN HORST

Maria Alexandrina von Fürstenberg was inmiddels overleden. Haar broer en enige erfgenaam Clemens Lotharius von Fürstenberg liet het grootste deel van de inboedel van her huis (waaronder de schilderijen van Willem Vincent en veel zilveren voorwerpen) overbrengen naar her slot Herdringen in Westfalen, waar hij meestal resideerde. Ter Horst werd bewoond door een rentmeester.

In de tweede helft van de 18e eeuw begon geleidelijk het verval van het Huis ter Horst. Aan de vooravond van de komst der Fransen kreeg het kasteel de laatste adellijke bewoner: Frans Clemens von Fürstenberg, de oudste zoon van Clemens Lorharius. Hij werd in 1791 als nieuwe heer van Horst ingehuldigd. Frans Clemens was een zonderling. Om die reden erfde zijn jongere broer het stamslot Herdringen. Frans Clemens moest zich tevreden stellen met Horst. Heer en onderdanen lagen elkaar niet. De inwoners van Horst beschouwden hem als een vreemdeling, over wiens bizarre en dwaze invallen men zich vrolijk maakte.

Toen de Fransen in 1798 een einde maakten aan de heerlijke rechten, was aan zijn toch al tanende gezag alle basis ontvallen. Zijn echtgenote en enige dochter, Charlotte, ontvluchtten hem. Frans Clemens leefde teruggetrokken op het verwaarloosde kasteel. Toen het huis wegens bouwvalligheid niet meer bewoonbaar was, nam hij zijn intrek bij een van zijn pachters. Daar overleed hij in 1828.

FAMILIE VON WESTERHOLT

De dochter van Frans Clemens, Charlotte von Fürstenberg, huwde met graaf Willem von Westerholt te Recklinghausen. Zij erfde het kasteel met bijbehorende hoeven, landerijen en bossen. Het totaal onderkomen slot werd voor afbraak verkocht. Van de bijgebouwen bleef alleen de tiendschuur uit 1744 en de Hof ter Binnen gespaard.
De Hof ter Binnen is in 1920 als gevolg van blikseminslag afgebrand. Als restant van de Hof ter Binnen is de hardstenen omlijsting van de toegangspoort bewaard gebleven.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de kasteelruïne met de bijbehorende bossen en boerderijen als vijandelijk Duits vermogen geconfisqueerd en kwam in handen van Staatsbosbeheer. Bij een ruiling in 1961 werden het kasteelterrein met bijbehorende opstallen en de bossen overgedragen aan de gemeente Horst.
De laatste jaren is het uiterlijk van de ruïne en zijn naaste omgeving sterk verandert. De rijksweg A-73 loopt over een hoge dijk op enkele tientallen meters van de ruïne. Door de zandwinning ten behoeve van deze weg ontstond een grote waterplas die gebruikt wordt als openluchtbad en visvijver. Omwille van de nieuwe weg moest een stuk van de oprijlaan worden opgeofferd en is het restant toegangspoort van de Hof ter Binnen verplaatst. Nabij de ruïne en in de Kasteelse bossen werden sportvelden aangelegd. Verder werd de Tiendschuur na restauratie verbouwd tot restaurant.